Je begrafenis…

“Je begrafenis. Wanneer plan je die?” vragen Willem en ik ons af, terwijl we in de rij van condoleren staan met een wit wijntje in ons hand.

Het glas moet wel leeg, voordat we bij de familie zijn. Slokken wijn dalen mijn slokdarm in. Een slik, een slok met verdriet.

Twee maanden, twee begrafenissen. Mijn oma en de vader van een vriend van mij.

Daar sta ik dan. Kijkend naar de kist van mijn oma. Ik mocht net de laatste woorden uitspreken voordat ze naar maaiveld hoogte ging. Haar kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen knikten haar 1 voor 1 gedag. Verdriet in hun ogen, verdriet in hun harten. Langzaam zie ik hun voeten weglopen naar de koffie.

Ik blijf achter, neem 10 minuten de tijd om zelf nog even afscheid te nemen. Ik wil mijn familie nog niet zien. Ik wil nog niet horen hoe ze vinden dat ik het gedaan heb. Ik wil nog even hier zijn bij oma. Bij het afscheid van haar leven.

Dan ga ik zelf, naar de borrel, het koffiemoment en hoop ik op cake. Koffie met cake.

Geen koffie met cake. Wel koffie. Geen cake.

Ik sta tegen de muur. Mijn hakken te hoog. Ik nog te jong om te mogen zitten op een bank. Kramp in mijn kuiten.

Ik luister naar de speeches. De in memoriam, de mooie verhalen, de herinneringen, de liefdesverklaringen van een man die plots weg ging. De vader van een vriend van mij.

Ik wil brieven schrijven. Nu. Aan mensen die mij lief zijn. Nu. Maar ik vind het eng. Dat wat ik zou zeggen op een begrafenis over de mensen die ik lief heb.

Ik wil brieven schrijven. Zoveel mogelijk. Aan jou en jou en jou en jou. Met mooie woorden, als jij durft. Dan schrijf ik ze op, voor jou. Nu jij nog hier bent bij mij.

“Hey Willem” zeg ik, “Ik wil dus op mijn begrafenis koffie, met cake, maar dat mensen hem zelf kunnen versieren, net als vroeger. Mijn moeder weet wel hoe we dat vroeger deden. Met smarties, slagroom, hagelslag enzo.  Ik ga het nog wel aan anderen vertellen hoor, maar dan weet jij het alvast, ok?”.

Lief Vondelpark.

Lief Vondelpark

Ik zag vanochtend

Toen jij wakker werd

 

dat je ’s nachts onderdak bood

aan mijn dakloze vrienden

 

Leuk Vondelpark

Ik zag vanochtend

Toen ik me wakker rende

 

Dat je vrienden zich van het hun ontdeden

Het onder hun arm droegen en het park uitliepen

 

Louter Vondelpark

Ik zag vanochtend

Toen ik wat beter rondkeek

 

Dat je vrienden die nog niet wakker waren,

Gewekt werden door een auto met wit oranje en blauw

 

Lief Vondelpark

Ik zag vanochtend

Toen ik uitgerend was,

 

Dat je vrienden zich langzaam weer nestelden in mijn hart,

Waar ik van ze hou en ze koester, zoals jij dat alleen kan.

Lieve meneer Dakloos.

Lieve meneer Dakloos

Wat is er loos?

 

Als je op de brug zat

zwaaide ik

 

Als je voorbij liep met je gitaren

Keek ik.

 

Als ik je zag met je kleurenpracht

Bewonderde ik je

 

Als ik nu van huis vertrek,

Zie ik je niet

 

Als ik over de brug fiets,

Zwaai ik niet

 

Als ik zoek naar kleur,

is het grijs.

 

Waar ben je?

Wat doe je?

Ik wil naar je zwaaien.

Want dat ben ik gewend.

 

Lieve meneer Dakloos,

Ik hoop dat je het vond.

Het dak.

 

 

 

Begin je dag met…

Maandagochtend. Ik stap op de fiets. Met twee ongesmeerde beschuiten in mijn tas ga ik op weg. Ik kijk op mijn telefoon. 8:04. ”Ik ben lekker op tijd op mijn werk zo” denk ik.

Ik fiets, kijk om me heen en let op. Rechts van mij strompelt een dikke wat viezige man over straat en houd zichzelf staande tegen een muur van het huis.

“Vast dronken” denk ik en ik fiets hem voorbij.

 En toch. En toch kijk ik om. Om te kijken. 

Ik kijk. Ik zie hem langzaam in elkaar zakken. Tussen een steiger een muur ligt hij. Ik rem. Draai om. En ga terug.

Een meisje ziet het ook, loopt voorbij.

Ik kniel bij de man neer. Zijn ogen puilen uit en zijn uitstraling is dof.

 “Meneer, meneer” vraag ik “gaat het wel”. Terwijl ik mijn rechthand op zijn rechteram ligt. Hij reageert met gebrabbel, gemompel en ademt onregelmatig.

Het meisje wat voorbij liep, loopt terug naar mij. Samen besluiten we 112 te bellen.

Ik bel 112. Ik krijg een vrouw aan de telefoon. Ik zeg: Er is een man in elkaar gezakt op de Clercqstraat 92. Ze vraagt: de Clercqstraat met een C. Ik denk geïrriteerd: “Ja dat weet je toch wel”. Ik zeg: “Ja met een C”

Ze stelt vragen, heel veel vragen. Wat voor kleur heeft de man? Ik zeg” grauw, geel , grijs”. Ze vraagt of hij ademt. Ik zeg: “Hij is dik, ik kan het moeilijk zien”. Ik let goed op. En zie hem ademen.

 Ze blijft vragen stellen: “Wat voor kleur heeft hij, zegt hij wat, kan hij praten?” “Reageert hij als je hem in zijn schouder knijpt.” Ik zeg: “nee, nee, nee, nee.” En zie het leven langzaam uit hem weggaan. 

Zij ogen zijn slap, maar open, en hij ademt al 30 seconden niet meer.

Ze blijft vragen stellen. Ik vraag geïrriteerd: “ik begrijp dat je vragen stelt, maar heb je al iemand hierheen gestuurd, want ik bel heus niet zomaar”.

“Ademt hij” vraagt ze. Ik zeg “nee, al 30 seconden niet meer”.

Ze zegt: “Dan maak ik er een reanimatie van”.

Dan komen er twee mannen. Een tweeling. Hoveniers.

Zij willen helpen. Ik zeg: “Hij ademt niet meer”. “Moeten we reanimeren?” vragen ze. Ik zeg “ja, reanimeren.”

Ze beginnen hem te reanimeren terwijl de vrouw aan de telefoon instructies geeft.

Je handen in het midden tussen het borstbeen. 1,2,3,4,5,6,7…. 1,2,3,4,5,6,7… Ik hoor haar stem, terwijl ik staar, kijk, het onwerkelijk is wat hier gebeurd. 

Sirenes komen dichtbij. Politie springt de auto uit. AED apparaat erbij.

Ik zeg: “ Ik ga nu ophangen hoor, de politie is er”.

De brandweer komt aan. Zij nemen de reanimatie van de politie over en dan komt de ambulance. Zijn vest wordt hardhandig opengerukt.

Daar ligt hij dan. Deze oude man, totaal hulpeloos. En iedereen is met hem bezig, om hem weer terug te halen, naar het hier.

 Ik blijf erbij staan. Ik kijk wat er gebeurd. Ze blijven met hem bezig. Zijn buik gaat heen en weer terwijl ze blijven reanimeren. Ze tillen hem tussen de steiger en de muur vandaan. Hij heeft in zijn broek geplast.

 20 minuten staar ik naar deze film, waar ik net nog inzat en nu op afstand naar kijk. Een meisje wil bellend onder het lint kruipen om niet om te hoeven lopen.De politie houdt haar tegen. En ze loopt om.

Dan besluit ik om weg te gaan, weg te fietsen. Naar mijn werk. Mijn bestemming is bekend. Maar waar meneer zal eindigen, ik weet het niet.

Ik kom op mijn werk, ik loop naar de koelkast. Pak de kaas uit de koelkast en leg ze op de beschuiten.

Begin je dag.

Begin je dag met een beschuitje met kaas.

 

 

Oma. Wij komen later wel ok?

Mijn hand

Op haar hand

 

Mijn bruine gezonde hand

Op haar aderdoorlopen hand

 

Haar nagels keurig gelakt

De mijne niet

 

Daar ligt ze dan

Daar zit ik dan, te kijken

 

Hoe ze vecht

Vechtend voor een leven,dat al geleefd is

 

Ga maar oma

Ga maar
Naar daar waar het veilig is

Wij komen later wel ok?